|
Nachtwake
Wie
waakt over mij,
als vluchteling.
eenmaal aan wal
zonder een bestaan.
Allen en alles is wit;
niet in m'n geheugen,
waar ik blootsvoets,
nog op de vlucht ben.
Ach, die mooie spraak,
als 'n Zuid-Afrikaner,
die het anders bedoelt,
dan ik begrepen had.
Prachtig, zo'n kamp,
net zoals weleer,
Ditmaal niet geketend,
achter een traliehek.
Geen taal die mij toespreekt,
in m'n verhaal van beelden,
die m'n onschuld ontsluiert,
als m'n angst doet lijden.
Wie, door wie ben ik gezegend,
als ellendeling,
eenmaal aan boord,
gevreesd voor martelingen.
|