|
Litteken
Als
ik in de spiegel kijk:
dan zie ik onze voorouders,
de wortels van ons bestaan,
die ooit in een ander continent,
als een zaad ontkiemden.
Zonder enig medelijden,
als vee op elkaar gestapeld,
aan hals en voeten vastgeketend,
naar een andere wereld verbannen,
die mijn heden bewolkt.
Nooit heb ik ze gekend,
na die nachtelijke verdwijning,
om de ochtendziel te ontmoeten,
op een plek waar Boni en Tula,
hun verbeelding zagen verdampen.
Hun stem, hun geweten,
hebben mij nooit verlaten.
Ontdaan van mijn zijn,
werd mij een leven opgedragen,
dat geen ogen kon verdragen.
Zij die de keus niet ontbraken,
geloofden in een mythe.
Maar m'n huid schreeuwt
om een naam,
die van respect en erkenning,
om het einde in zicht te krijgen,
overal waar dit een litteken draagt,
dat in ons midden ligt begraven.
|