|
De zeegolven
waren woest en werden met het uur nog groter. Die nacht op grote zee zullen
ze nooit meer vergeten. Het is orkaantijd en men kon niet meer terugkeren.
Aan land blies de harde wind een woning en de bezittingen van een gezin
meters verderop. De dag ervoor regende het de hele nacht door en de blikseminslag
houdt iedereen in z'n wurggreep.
In een vissersboot, waarvan ze nog de naam herinnert The Lord is my shepherd,
vertrekken ze op een vrijdagavond. Met grote stappen moeten ze uren lopen
om de haven te bereiken, om de boot nog voor de afgesproken vertrektijd
te halen. Deborah en haar man Wilfred kunnen nog net afscheid van hun
achterblijvende familieleden nemen. Met een gebroken hart, lopen ze met
hun schamele bezittingen in beide handen en op de rug. Hoe zeer hun rug
en de vermoeide benen het ook deden, moeten ze door lopen om deze kans
niet te missen.
"Eenmaal je een keuze hebt gemaakt en die vast staat voor het leven,
kan je lotsbestemming je niet meer in de steek laten, dacht Deborah bij
haarzelf." Zes maanden eerder zijn ze begonnen met de voorbereidingen
voor deze overtocht. Veel weten ze niet van het eiland af, waar ze naar
toe gaan. Het enigste wat zij wel weten dat er een olieraffinaderij is
gevestigd, die op zoek is naar werknemers. Ondanks dat ze hier en daar
hebben rondgevraagd, veel meer komen ze niet te weten. Sommigen zeiden
dat het in de buurt van Puerto Rico ligt, anderen menen in de nabijheid
van St. Croix en zelfs waren er die beweren dat het vlakbij ligt in de
buurt van de Maagden eilanden, St. Kitts en Nevis. Familieleden zijn bezorgd,
omdat ze niet eens weten of ze het levend zouden afbrengen.
Deborah meent alles mee te nemen die ze nodig heeft. Ze kent niemand op
het eiland, die ze een brief kan sturen om een idee te geven van wat hen
te wachten staat. Een brief zou immers te laat aankomen, nu er nog een
paar dagen resteert voor hun vertrek. Het enigste dat ze goed bewaard
heeft in een stuk papier, is de krantenadvertentie dat ze op zoek zijn
naar werkkrachten. Samen met deze krantenpagina heeft ze een bidprent
van Jezus en Moeder Maria. Die zijn allemaal verstopt in een plastic tasje
met wat medicinale kruiden. Ze dacht aan hen die ze achterlaat en of ze
met de tijd succesvol zullen zijn in het beloofde land. Zelf heeft ze
geen voorstelling hoe het er allemaal aan toe gaat aan de andere kant
van het Caribische gebied. Wat voor haar telt is dat ze haar eiland verlaat
op zoek naar een toekomst en dat als het 's avonds wordt ze met een glimlach
naar bed gaat. Deborah was in verwachting en het duurt niet lang meer.
Eindelijk
zijn ze bij de haven aangekomen, waar ze een voor een in een boot moeten
instappen. De moeders met hun overladen tassen in elke hand, proberen
hun evenwicht te balanceren tussen het eigen gewicht en dat in hun hand.
De vaders met hun Engelse hoed op en met vertwijfelde ogen, zoeken naar
verklaringen voor hun besluit. De kapitein geeft hen die van boord dreigen
te vallen een hand. De boot lost anker en begint zijn nachtelijke overtocht
en koerst op de grote zee af. Een half uur nadat de boot de haven verliet,
richt Deborah haar gezicht naar de hemel en met pretoogjes aanschouwt
ze de donkere nacht die ooit ochtend moet worden als ze eenmaal voet aan
wal zet. De boot met hun tienen aan boord beweegt tijdens de gehele reis
aan alle kanten, terwijl je alleen het inktblauwe zeewater o je heen ziet.
De uren lijken nu dagen, zonder te weten of ze in de goede richting afkoersten.
Wat ze allemaal voor ogen hadden was dat eenmaal ze aan wal waren, de
hemelspoorten voor hen zullen openen. Op een zeker moment begint het te
regenen, ietwat Deborah nooit eerder heeft meegemaakt. Met een hoofddoek
droogt ze haar gezicht af, terwijl ze met haar kleren een emmer vol mee
kan vullen. In haar buik kan ze nu de bewegingen van het kind voelen,
dat haar vrijheid reeds
aankondigt. Zo nu en dan pakt ze het stukje papier met daarin het krantenbericht
in gewikkeld en drukt dit tegen haar borst aan.
Het is 1934, het jaar toen de raffinaderij op Aruba net haar deuren opende
en menskracht nodig had om te werken. Van de overige eilanden in het Caribische
gebied emigreerden moeders en vaders om een betere bestaan op dit Indiaanse
eiland op te bouwen.
|
In een lokaal
dagblad heeft men kunnen lezen dat de Lago-raffinaderij arbeiders nodig
heeft om als metselaar, timmerman, beveiligingsman, dienstmeid en loodgieter
te werken. Op de eilanden is er niet veel te doen, velen verkeren in situatie
van misère.
En zoals een gewoonte van vroeger gaat men overzee, zelfs door hun gezin
voor een tijd te verlaten, om aan een baan en geld te komen. Velen van
hen sturen geld met een postwissel om hun gezin te onderhouden. Zij die
alleen die reis hebben ondernomen, laten hun gezinsleden na verloop van
tijd overkomen. Van de alleenstaanden hoor je weinig meer, niet eens een
brief ontving de moeder. Zij gaan aan wal en maken meteen deel uit van
de gemeenschap door met een landskind te trouwen.
San Nicolas, waar de raffinaderij is gevestigd en het merendeel van de
migranten wonen, was verlaten en gaf een bouwvallige indruk. 's Avonds
is het nogal stil, in die tijd waren er geen auto's en kwam je haast niemand
op straat tegen. Als je langs een woning loopt, veelal een houten optrekje,
dan kun je de kerosinelamp zien die de huiskamer verlicht. Alleen de stem
van een bejaarde vrouw kun je dan horen die in haarzelf iets zit te mompelen.
Meestal zit ze een verhaal te vertellen over ronddwarrelende boze geesten
of van rare gebeurtenissen waarvoor geen verklaring bestaat. De kinderen
zitten allemaal op de vloer aandachtig te luisteren naar een geschiedenis
die nooit eerder is opgetekend. Soms komt het ook voor dat het door grootmoeder
vertelde verhaal een zelfde is, alleen de namen veranderen.
"De
migranten leefden allen met elkaar alsof in een groot gezin. Veel hebben
ze niet om handen en de een helpt de ander als het nodig is. Er zijn die
in een vroeg stadium werden gecontracteerd en zij kwamen met een vliegtuig
naar het eiland. Zij konden meteen beginnen, terwijl anderen nog naar
een baan moeten solliciteren. Het waren honderden mensen die tegelijk
naar het eiland kwamen en die meestal allen een baan vinden. Vrouwen kregen
meestal een baan als dienstmeid om in de huishouding te helpen of als
verpleegster in het Lago-ziekenhuis te werken. Wanneer na enige tijd ook
hun levensomstandigheden waren verbeterd, lieten zij grootmoeder, man,
broers, ooms en zelfs de buurvrouw overkomen.
Iedereen leefde op grote voet totdat in de jaren vijftig de eerste ontslagen
vielen. Velen van hen keerden naar hun eiland terug, anderen bleven achter
om hun geluk op een andere wijze te beproeven. Sommigen kozen om kleermaker
te worden. Iedereen zocht iets te doen en werkten dag en nacht om iets
te bereiken. Er waren van die weken dat je geen emplooi kon vinden, maar
de hoop op een volgende week werd niet opgegeven. Hen die geen geld hadden,
leenden geld van hun buurman om de volgende week terug te betalen. Zo
rezen de optrekjes met hun raampje als kruidenier uit de grond, waar men
op krediet iets kon kopen. Wat je kon kopen was niet veel: kaarsen, ingeblikt
voedsel, brood, lucifers, zeep, fruit, groente, blauwe zeep en schoonmaakartikelen."
"Maar groeide mama ook op in zo'n omgeving?", vraagt Violette
aan haar moeder Leonore.
"Ja, wij verkeerden ook in zo'n situatie, voordat wij naar ergens
konden verhuizen."
"Vertel iets meer hoe men vroeger de stad bereikten?"
"Op een ezel legden ze deze afstand af en soms duurde het uren of
zelfs dagen voordat ze heen en terugkeerden."
Verborgen leegte
"Tegenwoordig
zie je allerlei clubgebouwen, interrumpeerde Violette haar moeder.
Wanneer zijn die dan gebouwd?"
|